X
GO

Restauratie

De opzet is het schip te restaureren zoals het er uitzag aan het begin van de dertiger jaren.  De reden om juist dat tijdstip te kiezen is dat er van die periode foto’s beschikbaar zijn.  Als leidraad bij de restauratie zijn een aantal van deze oude foto’s van het schip gebruikt.  Samen met de herinneringen van de laatste schipper Ab, die diverse malen aan boord geweest is voor adviezen.
Alle reconstructie is zoveel mogelijk in de oude stijl gehouden, maar helaas voor een deel gelast.  Klinken op grote schaal was ten tijde van de restauratie technisch moeilijk uitvoerbaar.  Wel is overal hoeklijn of plat aangebracht om de originaliteit zoveel mogelijk te benaderen, en zijn de lassen waar mogelijk glad geslepen. De details zijn wel geklonken.  Zo zijn de zetboord steunen, en tuigage onderdelen zoals puttings etc geklonken. 

Het stalen roer was doorgeroest, en is vervangen door een nieuw houten roer, gemaakt volgens een oude foto.  Het is vrij hoog en smal, en lijkt geen typisch breed tjalken roer, maar meer dat van een hasselteraak.  Ook zeetjalken hadden wel zo’n hoog en smal roer.  Blijkbaar maakte de werf ze zo.

Er is geen braadspil teruggeplaatst omdat dit al in 1926 vervangen werd door een grote dubbelschijfs ankerlier met strijkrol, gebouwd door Ridderinkhof te Hasselt.  Volgens deze firma, die nog bestaat, zou het hun oudste nog werkende lier zijn.  Het schip heeft twee zware stokankers van 125 kg, en aan bakboord is hiervoor een ankerkluis door de kop gemaakt.  Aan stuurboord gaat de ketting nog door het boeisel.  De stuurhut uit de zestiger jaren is verwijderd, en enkele slechte plekken in het dek zijn vervangen door ruitenplaat.  Helaas door korte ruiten, want de originele lange ruitenplaat was niet meer te koop.  Het potdeksel moest rondom vervangen worden want dat was op diverse plaatsen geheel van de boeing los geroest.

De oude roef viel bijna van ellende uit elkaar door roest van binnenuit.  Dus die is vervangen door een nieuwe, in de stijl van de oude, met naar binnen vallende wanden en een dak met veel ronding.  De ingang zit aan stuurboord, met een koepeltje.  Ook dit is niet erg gebruikelijk bij een tjalk, maar de werf bouwde veel klipperaken waarbij dit juist weer wel gebruikelijk was.  Uit een recent opgedoken oude foto is gebleken dat het koepeltje er vroeger toch wat anders uitzag, dus dat is nog een mooie restauratieklus voor later.  Dat gaan we ook zeker weer klinken. 

Het kistluik en mastdek met mastkoker zijn weer gereconstrueerd, en de dennenboom terug verlaagd.  De keggenbank uit de zestiger jaren is vervangen door schalkhaken.  Er zijn 8“ patrijspoorten in de dennenboom geplaatst die achter de zetboorden vallen.  De luik openingen zijn afgesloten met stalen dekken, waarna de houten luiken er weer over zijn gekomen.  Er zijn enkele ramen in de luikenkap gemaakt die door de luiken afgedekt kunnen worden.

Het nog aanwezige Engels stuurwerk is eerst weer op het achterdek geplaatst.  Zo werd het schip vanaf de oorlog gestuurd, tot de zestiger jaren nog zonder stuurhut.  We hebben eerst nog getwijfeld of we weer een helmhout op het schip zouden maken.  Maar een stuurwerk is veiliger en makkelijker hanteerbaar, belangrijke argumenten omdat we maar met z’n tweeën varen.  Omdat het stuurwerk wel erg veel speling begon te vertonen hebben we in 2006 een hydraulisch stuurwerk geïnstalleerd, met een stuurautomaat.  Nu kunnen we nog eens een momentje weglopen.  Vooral met het zeilen is dat erg handig. 
De ronde patrijspoorten in het achteronder, welke geplaatst waren nadat de originele ramen geheel waren verroest in de loop der jaren, zijn weer vervangen door de originele stijl ramen met een rond toogje.  Het interieur van het vooronder is behouden gebleven.  De betimmering van de roef en het achteronder zijn vervangen vanwege houtworm.

In de zestiger jaren kreeg het schip zwarte boeisels met een geel biesje, de gangbare kleuren van die tijd.  Het schip heeft weer de kleuren van de dertiger jaren.  Volgens de laatste schipper Ab stond de romp in de teer, en waren het boeisel en een spie op de kont geverfd in “Helders” groen, met havanna bruin rond de stevens.  De roef is gebroken wit met bruine achterkant, en heeft een zilverbrons dak.  Als bijboot is er een stalen vlet uit de vijftiger jaren, gebouwd bij van Brussel uit Hasselt (Ov.).  Maar die gebruiken we voornamelijk om buitenboord te verven, sinds 2007 hebben we een lichter houten vletje wat we makkelijk op de luiken kunnen zetten.  Er staan vanaf 2005 weer houten zetboorden op het schip.  Zwaarden werden in eerste instantie tweedehands overgenomen van een andere tjalk, maar in 2003 zijn er nieuwe zwaarden gemaakt.  Het tuigen gebeurde in etappes; de mast, bokkenpoten in1999, giek en gaffel zijn gemaakt in 2000, en in 2005 kwam er weer een kluiverboom op.

In augustus 2002 zeilde de "Janna" voor het eerst in bijna vijftig jaar weer, van West Terschelling naar Harlingen.  Met bruine zeilen net als vroeger; een gebruikte katoenen fok van het Heerenveense skûtsje, en een nieuw gemaakt dacron grootzeil van Simon den Boer uit Numansdorp.  De vader en grootvader van deze zeilmaker maakten ook vroeger al de zeilen voor het schip.  Inmiddels hebben we er een kluiver bij, en is de katoenen fok al weer vervangen door een iets vlakker gesneden fok van dacron. 

Het schip is inmiddels een comfortabel woonschip, met een vaste ligplaats in de museumhaven van Vreeswijk, de vroegere domicilie. 
Maar het ligt niet alleen in de haven mooi te zijn, er wordt ook actief met het schip gevaren.  Het schip blijkt een vlotte zeiler.  Zo herinnerde de schipper het zich ook; “bij de wind konden we de grote klippers goed bijblijven”.  In het najaar van 2004 werden goede resultaten behaald bij de Bietentocht en de Ronde van Tien Gemeten.  De oude schipper was er bij, en genoot.  Hij is helaas in 2005 overleden.  In 2008 werd in IJburg het Y-zeilen, een zeilwedstrijd voor museumschepen gewonnen . 

Sinds de restauratie is het schip al weer in honderden plaatsen geweest, van Ipswich in Engeland tot Stockholm in de Oostzee en Saint Quentin in Frankrijk.  En er zijn plannen voor verdere tochten de Oostzee in en langs de Engelse oostkust.