X
GO

Historie

Getuige krantenberichten in de Schuttevaer en het Nieuws- en Advertentieblad voor Dedemsvaart, is deze tjalk op stapel gezet op woensdag 26 januari 1898 op de werf van Wed. H.H.A. Mittendorff aan de Hoofdvaart in Dedemsvaart, en op dinsdag 20 september 1898 te water gelaten. Op 9 februari 1899 werd het schip door haar zoon B.A. Mittendorff overgedragen aan schipper Albert Veldman van Hoogeveen. De prijs was 5000 gulden, die in contanten (!) werden voldaan, en de inruil van zijn houten tjalk van 102 ton.


De kwitantie is bewaard gebleven. Er staat een foto van een dergelijke tjalk in aanbouw op de helling van Mittendorff in het boek ‘Dedemsvaart’ van G. Varwijk, maar het is niet duidelijk of dit de huidige Janna is. Het is een Overijsselse tjalk met een vrij hoge kop, een mooie zeeg vóór die achter wat vlakker loopt, en heeft vrij ronde (‘zachte’) kimmen. Volgens de laatste schipper was dat de gebruikelijke bouwwijze van deze werf. Die zachte kimmen maakten het schip geschikt voor de smalle kanalen in de veengebieden, met het oog op de turfvaart. En de wat vlakkere zeeg achter gaf een beperkte doorvaarthoogte, praktisch bij het passeren van vaste lage bruggen. De kop heeft wel wat “droevigs”, en als je goed kijkt zie je er wat van een Hoogeveense praam in terug. De werf zou een stuk of zeven van dit soort tjalken gebouwd hebben. Naast de Janna zijn voor zover bekend nog twee andere tjalken van de werf Mittendorff overgebleven; de “Jodocus”, een iets kleinere tjalk uit 1905, en de zeetjalk “Het Vertrouwen” uit 1902. Beide ook gerestaureerd en weer zeilend. De werf bouwde veel klipperaken en hasselter aken, traditioneel veel voorkomend scheepstypes in die regio. Vandaar dat er ook wat kenmerken van die scheepstypes in de Janna te herkennen zijn. 

Het was een forse tjalk met oorspronkelijk een laadvermogen van 150 ton. Hoofdafmetingen volgens de laatste meetbrief: (l x b x h) 25.12 x 5.00 x 1.93 m. Een schip voor de landelijke vaart. Het schip werd door de werf op speculatie, dus zonder opdrachtgever, gebouwd en werd volgens een artikel in het Nieuws- en Advertentieblad voor Dedemsvaart van 24 september 1898 vooralsnog “Confiance” genoemd. “De Confiance is een der grootste tjalken welke tot nog toe de Dedemsvaart bevaren” schreef de krant. Schipper Veldman kocht het schip voor vijfduizend gulden in contanten (!), met inruil van zijn 102 grote tons houten tjalk. Op 24 januari 1899 werd een eigendomsverklaring opgemaakt en werd het schip bij het hypotheek kantoor in Assen teboekgesteld onder nummer 1803 Assen 1899. Hij noemde het net als zijn vorige schip; “de Vrouw Niesje”, naar zijn echtgenote Niesje Veldman-Slot. In het begin werd voornamelijk grind voor de wegenbouw gevaren, vanaf de Rijn nabij de Duitse grens naar Noord-Holland. Ook met z’n vorige schip zat Veldman al in die vaart. Deze reizen gingen veelal over de Rijn en Lek naar Vreeswijk, en via de Keulsche vaart verder naar Amsterdam. Daarom werd Vreeswijk als domicilie gekozen. Financieel ging het blijkbaar niet slecht want in 1920 kon de schipper een huisje in de Noorderstraat in Vreeswijk kopen en aan de wal gaan wonen. Al zijn zonen werden door hem financieel ondersteund bij het kopen van een eigen schip. 

De tjalk bleef in de familie, want op 18 februari 1921 nam de jongste zoon Samuel (“Saul”) het schip over, voor 7000 gulden. Hij zou dit bedrag in tien jaar afbetalen, want op 30 maart 1931 werd de schuld doorgehaald. De naam werd “Janna”, naar zijn vrouw Janna Veldman-Tromp, afkomstig uit Meppel. En zo heet het schip nog steeds. De voorheen appelbloesemroze roef werd wit geverfd, de spiegel die vroeger gehout was werd havannabruin, maar verder bleven de kleuren gelijk. Samuel begon het schip gelijk te moderniseren want in maart van dat jaar verving hij de touw grootschoot en liet hij bij scheepswerf De Goede uit Zwartsluis voor f 117,50 een “schootlier met versnellingswerk en blok op dek” plaatsen. En in 1926 ging het braadspil van boord want in maart liet hij voor 293 gulden bij Ridderinkhof in Hasselt een grote nieuwe ankerstrijklier plaatsen, samen met een nieuwe ¾” ankerketting van 40 vadem. 

Omdat de grindvaart vanuit het rivieren gebied steeds meer overgenomen werd door grotere schepen kwam het schip in de algemene vrachtvaart, met o.a. bakstenen, graan, hout etc. Soms ook een reisje schelpen van de wadden naar de kalkovens, alhoewel de schipper niet zo happig was op groot water, en ook niet op zout water, vooral niet in zijn schip. Het vaargebied besloeg geheel Nederland, en soms België. 

Een vroegere knecht (Dhr. Kombrink uit Meppel) die er op voer in 1925-26 wist zich nog wel interessante reizen te herinneren. Zo kon hij vertellen waar de reparatie aan de stuurboord kop voor geweest was. In 1926 voeren ze ongeladen op de Oude Rijn, na een lading pulp in Woerden afgeleverd te hebben. Ze werden gesleept door een “zand-motorretje”. Bij het invaren van de sluis te Bodegraven ging het echter mis, en raakten ze de sluis. Wellicht stond de sluis open om te spuien en moesten ze er voorstrooms door. Een flink gat in de kop aan stuurboord was het gevolg. Gelukkig boven de waterlijn, maar je kon vanuit het vooronder, waar de knecht sliep, zó naar buiten kijken. Op een werfje in Gouda werd er een plaatje in geklonken, wat er nog steeds inzit. Die sluis in Bodegraven is ook vandaag de dag nog steeds een krap gaatje, want over de zwaarden heeft het schip niet meer dan een paar cm per kant over. Ook wist hij nog te vertellen van een reis van de Wadden naar Zeeland. Ze lagen leeg in Leeuwarden, samen met een tjalk van een familielid, waarschijnlijk Aaldert Seinen, en splitsten een partij schelpen. Deze moesten worden geladen bij een schelpenzuiger van de firma Doeksen ergens onder Terschelling. Bij Harlingen voeren ze het wad op, maar liepen vast omdat ze geen goede kaart hadden, en overvallen werden door mist. Hierdoor duurde het een week voordat ze bij de schelpenzuiger waren. Eenmaal geladen liepen ze door slecht weer veel vertraging op, en zo werd het uiteindelijk een reis van meer dan een maand. 

Om te kunnen concurreren met de in de dertiger jaren steeds talrijker wordende motorschepen werd in 1939 een opduwer aangeschaft. Met daarin een 16 pk tweecilinder Bolinder Munktell ruwoliemotor, die 1575 gulden kostte, voor die tijd een heel bedrag. Ook werd de mast ingekort en het tuig verkleind, de giek kwam tot vlak voor de roef. 

In de oorlog werd zo goed en zo kwaad als het ging doorgevaren, maar lagen ze ook veel stil in Vreeswijk. Daar fungeerde het schip een tijd als schuilplaats voor onderduikers. In het najaar van 1944 werd het schip, liggende in Vreeswijk met een lading ijzerdraad, door de Duitsers gevorderd. De schipper moest het in Rotterdam gaan afleveren, waarna het samen met nog een stuk of zes schepen achter een Duitse sleepboot werd weggesleept om in Duitsland te worden gesloopt ten behoeve van de staalproductie. De schipper moest maar naar Vreeswijk teruglopen. Gelukkig is er van dat slopen niets gekomen, en kwam het door de ijsgang van die strenge winter niet verder dan Delfzijl. 

Het werd na de oorlog door de schipper in Groningen teruggevonden, met dezelfde lading ijzerdraad er nog in. Het was inmiddels door de militaire autoriteiten in gebruik genomen als brug over een kanaal. De zetschippers die er door de Duitsers op gezet waren, hadden vanwege de strenge winter het complete interieur van het vooronder in de kachel opgestookt. Ook was tijdens de sleepreis het roer beschadigd. Nadat de autoriteiten het hadden vrijgegeven werd het schip naar Rotterdam gesleept, de lading gelost, en de schade hersteld. Met een nieuw stalen roer kwam het in 1946 weer in de vaart. Een drukke periode volgde, want met de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog voer de Nederlandse binnenvaart het water dun. 

In 1949 overleed de schipper in de Bijland bij Lobith, en werd het schip eigendom van zijn weduwe Janna en haar twee zonen Albert en Thijs. Een oplegperiode in de Amsterdamse Houthaven volgde. De beide twee zonen waren in die tijd schippers op rondvaartboten in Amsterdam. Maar de vrijheid trok, en de oudste zoon, Albert (“Ab”) ging weer met de tjalk varen, samen met zijn moeder. In 1956 werd het schip gemotoriseerd. Vanwege de goede ervaringen met de motor van de opduwer werd het wederom een Bolinder Munktell, nu een viercilinder diesel van 46 pk. 

In de zestiger jaren werd het schip verder gemoderniseerd, en kwam er een stuurhut op het achterdek, werden het mastdek en kistluik eruit gehaald, en de den verhoogd en doorgetrokken tot aan het voordek. Vader Saul wilde dit vroeger niet, want volgens hem zat er zonder mastdek geen verband meer in een schip. De mast werd wederom een stukje kleiner gemaakt en verhuisde naar het voordek, voor een hijstuig. De laadreep daarvan liep gewoon naar een kop van de ankerlier. De schipper loste eens in z’n eentje in één dag een volle lading balen turfmolm in Burghsluis, en was aan het eind van de dag compleet versleten. Dan hebben we het vandaag de dag toch wel makkelijker. Het vaargebied werd uitgebreid met Duitsland en Noord Frankrijk. Er waren ooit plannen om het schip te verlengen tot 35m voor een laadvermogen van 220 ton, maar om een of andere reden ging dat niet door. Nadat in 1978 de keerkoppeling van de Bolinder kapot was gelopen, werd er door de firma Bos uit Spakenburg een Gardner LW motor in gezet, waarvan de koppeling echter heet bleef lopen. Daarom verwisselde diezelfde firma de Gardner een half jaar later voor een DAF 575, een gereviseerde vrachtwagenmotor van 86 pk.

De laatste schipper Ab voer samen met zijn moeder door tot ná haar negentigste. Hij werd op 24 augustus 1981 eigenaar. Nadat zijn moeder overleden was deed hij nog wat reizen in z’n eentje, altijd over de beurs. Hij was toen regelmatig op de beurs in Rotterdam te vinden. De laatste reis met de "Janna" deed hij in juni 1988, van de Botlek naar Woerden met een lading erwten. Nadat hij gestopt was bleef hij aan boord wonen, eerst in de Zalmhaven in Rotterdam, en toen die gedempt werd in de Wijnhaven. Later verhuisde hij naar een woning aan de wal. Het kostte hem moeite afstand te doen van het schip, maar in 1994 heeft hij het uiteindelijk toch verkocht via een advertentie in de Schuttevaer. 

Het schip werd verkocht aan Dhr. J. Franssen, en ging naar Groningen. Het zou weer onder zeil gebracht worden voor de chartervaart, en de tekeningen voor de verbouwing waren al gemaakt. Maar door omstandigheden ging dit plan niet door, en werd het schip gebruikt voor een project met jongeren. Zo werd er oa. een sleepbootje in het ruim gezet om op te knappen. Na twee jaar kwam het schip weer te koop, en in september 1996 heb ik het gekocht. Ik was al enige tijd op zoek naar een mooie holle tjalk van deze maat, om te verbouwen tot zeilend woonschip. De Janna paste helemaal in dat plaatje.